Xenophon's Anabasis 9
.
Zoo eindigde Cyrus, een man, die volgens 't eenparig oordeel van allen, die met hem hebben omgegaan, onder de Persen, welke na den ouderen Cyrus geleefd hebben, 't meest geschikt en 't meest waardig was koning genoemd te worden. Reeds van zijne vroegste jeugd afaan, toen hij met zijn broeder en andere knapen opgevoed werd, muntte hij in alles het meest boven de anderen uit. Want de kinderen van de Persische edelen worden allen aan het hof opgevoed, waar ieder gelegenheid heeft veel ingetogenheid te leeren, en waar men niets onbehoorlijks hooren of zien kan. De knapen zien daar door den koning sommigen geëerd en anderen geminacht; zij leeren dus reeds als kinderen te bevelen en bevolen te worden. Hier scheen Cyrus ten eerste van al zijne makkers de bescheidenste te zijn, en was voor de oudere personen zelfs gehoorzamer dan de mindere knapen. Hij hield zich ook gaarne met paarden bezig, kon zeer goed met die beesten omgaan, en evenzeer oordeelde men dat hij in oorlogszaken en in het hanteeren van boog en pijl het leergierigst en het oplettendst was. Als jongeling was hij een hartstochtelijk liefhebber van de jacht, en tegenover wilde dieren zocht hij bij voorkeur het gevaar op. Eens, toen er een beer op hem afkwam, werd hij niet bevreesd, en ofschoon de beer hem van het paard trok en hem eenige wonden toebracht, waarvan hij ook de litteekens droeg, velde hij hem toch eindelijk neer. Dengene, die hem het eerst te hulp was gekomen, maakte hij door geschenken gelukkig boven velen.

Toen hij door zijnen vader aangesteld was tot satraap van Lydië, Groot-Phrygië en Kappadokië, en tot opperbevelhebber van alle troepen, die zich in de vlakte bij Kastolus verzamelen moesten, bewees hij in de eerste plaats dat hij het op den hoogsten prijs stelde, bij verbonden, verdragen en beloften, iemand in niets te kort te doen. Daarom vertrouwden hem de van hem afhankelijke steden, evenzeer als de burgers, ja zelfs zijn vijand wantrouwde volstrekt niet dat hem iets tegen het verdrag in zou geschieden, wanneer hij eenmaal een overeenkomst met Cyrus gesloten had. In den oorlog tegen Tissaphernes kozen daarom alle steden vrijwillig de partij van Cyrus, behalve de Milesiërs; dezen vreesden hem omdat hij de bannelingen niet prijs wilde geven. Want hij verklaarde en bevestigde het hier met de daad, dat hij hen, met wie hij eens bevriend was nooit zou verlaten, al was hun getal nòg kleiner en hun toestand nòg slechter. Zoowel boven hem, die hem goedheden bewees, als boven hem, die hem beleedigd had, zocht hij uit te munten, zooals men duidelijk kon zien; en hij uitte eens den wensch, naar men vertelt, zoolang te mogen leven, tot hij vrienden en vijanden in wedervergelding overtroffen had. In onzen tijd is hij de eenige man, aan wien een aantal menschen hunne schatten, hunne steden en hun eigen lichaam toevertrouwden. Toch zou men niet kunnen zeggen dat hij zich door slechte, onrechtvaardige menschen liet bespotten, maar die allen strafte hij, zonder hen eenigszins te sparen. Langs de heerbanen kon men dikwijls menschen zien, die van handen, voeten of oogen beroofd waren, zoodat in het gebied van Cyrus ieder Helleen of vreemdeling, wanneer hij zelf niets slechts deed, met have en goed zonder angst kon reizen, waarheen hij wilde. Aan in den oorlog dappere mannen gaf hij, zooals ook algemeen bekend is, de grootste onderscheidingen. Zijn eerste veldtocht was tegen de Pisidiërs en de Mysiërs gericht; en daar hij dezen zelf meemaakte, zoo had hij gelegenheid diegenen, die bij gewaagde ondernemingen moed toonden, op te merken, en maakte ze òf tot stadhouders over de veroverde landen, òf hij eerde hen met andere geschenken. Het geluk nu, dat dapperen mannen te beurt viel, en de geringschatting waarmede lafaards behandeld werden, maakte dat het hem nooit aan mannen ontbrak, die daar, waar zij door Cyrus geloofden opgemerkt te worden, gevaarlijke ondernemingen gewillig op zich namen. Leerde hij een man kennen, die door rechtvaardigheid wilde uitmunten, dan stelde hij alle moeite in het werk zulke menschen rijker te maken dan hen, die zich door ongeoorloofde middelen zochten te verrijken. Maar ook vele andere zaken werden rechtvaardig door hem behandeld, en hij had een leger, dat in waarheid dien naam dragen mocht. Strategen en lochagen kwamen over zee tot hem, niet om geld, maar omdat zij wisten dat het voordeeliger was goed onder Cyrus te dienen, dan maandelijks soldij te trekken. Want als iemand hem goed diende, dan liet hij die bereidwilligheid nooit onbeloond voorbijgaan. Dit is de reden waarom men zeide dat Cyrus bij elke onderneming de beste dienaren had.

Als hij iemand opmerkte die goed wist huis te houden op billijke wijze, en het gebied waarover hij heerschte regelde, en inkomsten wist te scheppen, dan nam hij een zoodanig man nooit iets af, maar gaf hem altijd meer; daarom werkte men gaarne, had ongevreesd bezittingen en allerminst verborg men Cyrus wat men bezat. Immers hij bleek niet afgunstig te zijn op de als rijk bekende personen, maar trachtte zich van hen, die het niet verborgen hielden, nuttig te bedienen. Den vrienden die hij maakte, en die hij welwillend bevond en geschikt om mee te werken tot de zaken die hij op touw zette, is hij, volgens de eenstemmige verklaring van allen, in elk opzicht ten dienste geweest. Dezelfde reden waarom hij zelf vrienden meende noodig te hebben, was het ook die hem bewoog om de beste medewerker te zijn in datgene, wat hij zag dat zijne vrienden begeerden. Hij was, meen ik, de man die van alle tijdgenooten de meeste geschenken ontving om velerlei redenen, en ook degeen die daarvan het meest aan zijne vrienden mee gaf, waarbij hij altijd lette op ieders karakter, en op hetgeen hij zag dat iemand het meest noodig had. De lijfsieraden die hem gezonden werden, hetzij voor gebruik in den oorlog hetzij eenvoudig tot pronk, daaromtrent beweert men dat hij het volgende gezegd heeft: ,,men kan zijn lichaam toch met al die zaken niet opsieren, maar goedverzorgde vrienden zie ik voor het beste sieraad van een man aan." Dat hij in weldaden tegenover zijn vrienden ieder overtrof, is volstrekt niet te verwonderen, daar hij meer vermocht dan anderen; maar dat hij ook in zorg boven zijn vrienden uitmuntte en in lust om een ander genoegens te doen, die karaktertrekken schijnen mij althans meer bewonderenswaardig toe.

Dikwijls zond Cyrus halve vaatjes wijn, als hij een zeer lekkere soort had ontvangen, met de bijvoeging dat hij in langen tijd geen fijneren wijn aangetroffen had; dien stuurde hij u dan en verzocht u, dezen drank heden op te drinken, met uwe beste vrienden. Vaak zond hij ook een halven gans, een half brood, en andere dergelijke dingen meer, en gaf dan aan den brenger de boodschap mee: ,,Cyrus heeft hiervan genoten, nu wil hij dat gij het ook eens proeft." Als er ergens gebrek aan voer was, en hij zelf het zich gemakkelijk kon verschaffen omdat hij vele bedienden had en goede zorg voor alles, dan zond hij overal van zijn eigen voer heen, en liet zijn vrienden zeggen dat zij dat moesten geven aan de paarden, die hen droegen, opdat geen hongerige beesten dragers van zijn vrienden zouden zijn. En waarneer hij ergens heen reisde en velen hem dus zouden zien, dan riep hij zijne vrienden tot zich en hield met hen ernstige gesprekken, om in 't openbaar te toonen voor welke menschen hij achting gevoelde.

Hieruit volgt dat, naar ik gehoord heb, geen enkel persoon ooit meer eerbied heeft genoten, zoowel van den kant der Hellenen als van vreemden. Ook dit is een bewijs daarvan: van Cyrus, die ook onderdaan was, liep niemand over tot den koning, alleen Orontas beproefde dit; en toch bevond de koning dat deze man, dien hij meende dat hem getrouw was, meer genegenheid voor Cyrus dan voor hem koesterde. Daarentegen liepen van de kant des konings velen tot Cyrus over, toen de twee broeders elkaars vijanden geworden waren, en dat nog wel zij die bij den koning in de grootste gunst stonden, daar zij meenden dat hun, wanneer zij Cyrus trouw dienden, nog grootere eer bij hem dan bij den vorst te beurt zou vallen. Ook hetgeen hem bij zijn sterven gebeurde is een groot bewijs, dar hij zelf een edel man is geweest, en zeer goed trouwe, welwillende en standvastige mannen kon onderscheiden. Want toen hij sneuvelde, vielen ook strijdend om hem heen al zijne vrienden en dischgenooten, uitgezonderd Ariaeus; deze was als bevelhebber der ruiterij aan den linkervleugel geplaatst, en toen hij bemerkte dat Cyrus gevallen was, vluchtte hij met het geheele legerkorps, waarover hij bevel voerde.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 9