Xenophon's Anabasis 4
.
Van hier trok Cyrus in twee marschen, waarin hij tien parasangen vorderde, tot voor den Psarus, die drie plethen breed was; dan marcheerde hij vijf parasangen tot den Pyramus, die een stadium breed was. Van hier legde hij in twee marschen vijftien parasangen af en kwam naar Issi, op de uiterste grens van Cicilië; het ligt aan de zee en is groot en bloeiend. Daar bleef hij drie dagen; ondertusschen kwamen vijfendertig schepen uit den Peloponnesus aan, die onder bevel van den Lacedaemoniër Pythagoras stonden. De Egyptenaar Tamos had deze schepen met nog eene andere vloot van Cyrus, die vijfentwintig zeilen sterk was, en waarmee hij Milete (dat met Tissaphernes verbonden was) had belegerd, van Ephesus aangevoerd. Op deze vloot bevond zich ook de Lacedaemoniër Chirisophus, dien Cyrus had laten had laten komen; hij geleidde vierhonderd Helleensche hoplieten, die van Abrokomas, wiens huurlingen zij geweest waren, afgevallen waren, zich onder Cyrus schaarden en diens tocht tegen den koning meemaakten.

Daarop maakte hij een marsch van vijf parasangen tot aan de passen van Cicilië en Syrië. Hier waren twee muren; de binnenmuur, aan deze zijde van Cilicië, had Syennesis met de Ciliciërs bezet; de buitenmuur, aan de andere zijde van Syrië, werd, zooals deze heette, door koninklijke troepen beschermd. Midden tusschen deze beiden stroomt de Carsus, een plethron breed. De geheele afstand tusschen deze muren droeg drie stadiën. Er met geweld door te dringen was niet mogelijk; want de doorgang was nauw en de muren strekten zich tot de zee uit, er boven waren ontoegankelijke rotsen, en op beide muren waren torens gebouwd. Juist om deze bergengte had Cyrus zijne schepen laten komen, ten einde binnen en buiten de muren hoplieten aan wal te zetten, om den vijand, wanneer hij den Syrischen pas bezet hield, te verdrijven en zoo den doortocht vrij te maken. Want Cyrus dacht dat Abrokomas, die een groot leger had, dit zou doen. Deze verliet echter op het bericht, dat Cyrus in Cilicië was, Phoenicië en trok naar den koning met een leger, zooals het heette van driemaal honderdduizend man. Van hieruit maakte Cyrus door Syrië eenen marsch van vijf parasangen tot Myriandrus, een zeestad door Phoeniciërs bewoond, eene stapelplaats, waar toen ter tijd vele vrachtschepen voor anker lagen. Het leger bleef daar zeven dagen.

Ondertusschen gingen de legeraanvoerders Xenias uit Arkadië en Paison uit Megara op een schip en namen al wat van waarde was mee. De meesten schreven het aan hun gekrenkten trots toe, omdat Cyrus de soldaten, die van hen, om naar huis en niet naar den koning te trekken, tot Clearchus overgegaan waren, onder diens kommando gelaten had. Toen men hen miste, heette het dat Cyrus hen met zijne galeien achtervolgde: sommigen wenschten dat hij deze trouwelooze mannen in zou halen; anderen toonden medelijden, in geval hij hen bereiken zou. Cyrus echter liet de aanvoerders bijeenkomen en sprak tot hen: Xenias en Pasion hebben ons verlaten; zij moeten echter toch inzien, dat hunne vlucht niet verborgen kan blijven en eindelijk een eind moet nemen, want ik ken hun weg en heb galeien genoeg, om hun vaartuig te achterhalen; maar bij de goden, ik wil ze niet vervolgen en niemand zal kunnen zeggen, dat ik, zoolang iemand bij mij is, mij van hem bedienen wil, doch dat ik hem terughaal, wanneer hij weg wil gaan, of hem dan slecht behandel en van zijne goederen beroof. Zij kunnen verder trekken met het bewustzijn, dat zij slechter tegen ons, dan wij tegen hen gehandeld hebben. Want ik zal hun ook hunne vrouwen en kinderen, die in Tralles onder mijne hoede zijn, niet ontnemen, maar ze hun voor vroeger bewezen diensten teruggeven." Zoo sprak hij, en was er ook al een onder de Hellenen die niet veel lust in den veldtocht had, zoo maakte hij nu, de edelmoedigheid van Cyrus hoorende, gaarne en met meer ijver den tocht mee.

Hierop marscheerde Cyrus in vier marschen twintig parasangen tot den Chalus, wiens breedte een plethron bedroeg. Hij is vol groote, tamme visschen, die bij de Syriërs goddelijke eer genieten en even als de duiven onschendbaar zijn. De dorpen, waarin het leger gekampeerd lag, waren Parysatis als speldengeld toegewezen.
Van hier rukte hij in vijf marschen dertig parasangen tot de bronnen van den Dardes, wiens breedte een plethron bedroeg. Hier was het slot van Belesys, stadhouder van Syrië, en een zeer groote en schoone tuin, waarin vruchten van elk jaargetijde waren. Cyrus liet hem verwoesten en het slot verbranden. Van hier marscheerde hij in drie marschen vijftien parasangen tot aan den Euphraat, die vier stadiën breed was. In Thapsacus, eene groote, rijke stad, waar men nu aankwam, bleef het leger vijf dagen. Nu verzamelde Cyrus de Helleensche aanvoerders en zeide tot hen: men zou tegen den koning optrekken en naar Babylon gaan; dat moesten zij den soldaten meedeelen, en hen voor den tocht bereidvaardig maken. Zij maakten het dientengevolge aan het verzamelde leger bekend. De soldaten, boos op hunne officieren, beschuldigen hen er van, dat zij dit al lang geweten en het hun verzwegen hadden. "En wij gaan niet verder," gingen zij voort, "wanneer wij niet dezelfde soldij krijgen, die zij gehad hebben, welke Cyrus naar zijnen vader brachten; te meer daar dezen Cyrus alleen naar zijnen vader begeleidden, en zij geen oorlog behoefden te voeren." De veldheeren brachten deze boodschap over en Cyrus beloofde, zoodra zij in Babylon kwamen, elk man vijf minen zilver en de volle soldij te geven, tot hij de Hellenen weder naar Ionië zou gebracht hebben. Daardoor kreeg hij een groot deel Hellenen op zijne hand. Menon liet echter, daar het nog niet bepaald was, welk besluit het overige gedeelte van het leger nemen zou, zijne manschappen samen komen, en sprak hen op de volgende wijze aan: "Soldaten! Wanneer gij mijn voorstel aanneemt zoo zult gij zonder gevaar, zonder moeite onder uwe wapenbroeders de grootste eer bij Cyrus kunnen verkrijgen. Immers wat raad ik u te doen? Cyrus verlangt van de Hellenen, dat zij met hem tegen den koning zullen trekken: volgens mijn raad trekt gij, eer nog de andere Hellenen hun besluit aan hem meegedeeld hebben, over den Euphraat. Besluiten zij hem te volgen, zoo zult gij als de oorzaak daarvan beschouwd worden, en wijl gij een begin hebt gemaakt met de rivier over te trekken, zal Cyrus zich tegenover u mondeling en in daden dankbaar toonen; want van hem kan men dit meer dan van een ander verwachten. Besluit het leger er echter niet toe, zoo keeren wij wel is waar allen terug, doch Cyrus zal u dan, omdat gij er bereid toe waart, als vertrouwbare personen, tot kommandanten en kapiteins aanstellen, en in elk ander geval, kunt gij u dan, dat weet ik, als vriend tot hem wenden."

De soldaten waren het er mede eens en trokken over den stroom, eer de anderen nog hun plan medegedeeld hadden. Cyrus verheugde zich toen hij dat vernam, en zijn tolk Glus moest uit zijnen naam aan de troepen zeggen: "Nu, mannen, hebt ge mijne goedkeuring verworven, maar ik wil ook de uwe verkrijgen, of mijn naam is geen Cyrus meer." De soldaten, vol blijde verwachtingen, wenschten hem heil en geluk, en Menon kreeg ook, naar men vertelde, prachtige geschenken van hem. Hierop trok hij over den stroom, en het geheele overige leger volgde hem. Het water ging niet verder dan hunne borst. De Thapsaceniërs zeiden, dat men deze rivier nog nooit te voet overgetrokken was, altijd op vaartuigen: deze had Abrokomas, toen hij vooruit marscheerde, verbrand om Cyrus den overtocht te belemmeren. Men hield dit dus voor een goddelijke wenk, en geloofde dat de stroom oogenschijnlijk voor Cyrus, als toekomstig koning, was teruggeweken. - Van hier rukte hij door Syrië en legde tot aan den Araxes in negen marschen vijftig parasangen af. Daar waren vele dorpen vol eetwaren en wijn; het leger bleef er drie dagen en voorzag zich van levensmiddelen.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 4