Xenophon's Anabasis 16
.
Zoo werden de veldheeren gevangen genomen, naar den koning gebracht en onthoofd. Onder hen maakte Clearchus, ongetwijfeld op allen die hem goed kenden den indruk van een hartstochtelijk en ervaren krijgsman. Zoolang de oorlog der Lacedaemoniërs tegen de Atheners duurde, bleef hij in Hellas; toen de vrede gesloten was, overtuigde hij zijn medeburgers dat de Thraciërs den Hellenen onrecht aandeden, wist de Ephoren zooveel mogelijk voor zijn plannen te winnen, en zeilde uit om de Thraciërs, die ten Noorden van den Chersonesus en Perinthus woonden, te beoorlogen. De Ephoren kwamen, toen hij reeds onder zeil was, op hun plan terug en trachtten hem nog van uit den Isthmus terug te laten komen; hij echter gehoorzaamde niet, maar voer naar den Hellespont. Daarom werd hij als weerspannige door de overheid in Sparta ter dood veroordeeld. Als banneling dus kwam hij tot Cyrus, en door welke woorden hij diens vertrouwen verwierf staat elders geschreven. Cyrus gaf hem tienduizend darieken, maar toen hij ze had, gaf hij zich niet over aan genotzucht, doch wierf voor dat geld een leger waarmede hij de Thraciërs beoorlogde. Hij overwon hen, plunderde hun land en zette den oorlog tegen hen voort, totdat Cyrus het leger noodig had; toen trok hij af om met dezen een nieuwen veldtocht te ondernemen.

Dat schijnen wel daden van een echt soldaat, die terwijl het hem vrij staat zonder schande en schade in vrede te leven, den oorlog voortrekt; die genot kan hebben, maar liever de inspanning van den oorlog verkiest; die zonder gevaar geld kan bezitten, maar liever zich in den krijg aan verliezen blootstelt. Hij wilde geld besteden voor den oorlog, zooals een ander het uitgeeft aan zinnelijk genot of aan eenig ander genoegen. Dat alles is een bewijs van zijn hartstocht voor den oorlog; zijn talent daarin blijkt uit het volgende.

Het gevaar zocht hij op, nacht of dag, hij voerde de zijnen tegen den vijand aan, was in hachelijke omstandigheden bedachtzaam, zooals alle ooggetuigen verzekerden. Zoo was hij naar vermogen een geschikt aanvoerder, en meer dan eenig ander in staat er voor te zorgen dat zijn leger levensmiddelen kreeg, en dat alles in orde te maken. Hij wist zijn soldaten te overtuigen dat men Clearchus gehoorzamen moest. Dit alles bereikte hij door zijn gestrengheid, want zijn uiterlijk was barsch, zijn stem hard, en hij strafte altijd streng, somtijds zelfs in drift, zoodat hij er zelf nu en dan berouw over had. Het was uit beginsel dat hij strafte, want een tuchteloos leger hield hij voor geheel onbruikbaar. Men beweert ook van hem dat hij zeide, dat de soldaat meer zijn veldheer dan de vijanden moet vreezen, hetzij hij zijn post moet bewaken of een bevriend land moet sparen of zonder tegenstribbeling op de vijanden los moet gaan. In tijden van gevaar wilden de krijgslieden gaarne naar hem luisteren, en zouden zij nooit een ander gekozen hebben: want zij zeiden dat zijn stugheid dan ophelderde, en dat zijn barschheid dan kracht tegenover den vijand scheen, zoodat zijn lastigheid juist hen behoud werd. Maar was er geen gevaar en mocht men naar een anderen veldheer trekken, dan verlieten hem velen; want hij had niets minzaams, doch was steeds norsch en ruw, zoodat de verhouding der soldaten tot hem die was van kinderen tegenover den meester. Nooit had hij lieden die hem uit vriendschap of welwillendheid volgden, hen die hun vaderstad, of de nood, of eenige andere dringende oorzaak onder zijne rangen schaarde, die maakte hij stipt gehoorzaam. Als men begonnen was onder zijn kommando te overwinnen, waren er twee groote middelen die zijn soldaten uitnemend maakten: onverschrokkenheid tegen den vijand was reeds bij hem aanwezig, en uit de vrees voor zijn straf volgde de tucht. Zoo was hij in het bevelvoeren; maar door anderen gekommandeerd te worden, daarvan (zeide men) hield hij niet zeer. Toen hij stierf had hij ongeveer den leeftijd van 50 jaren bereikt.

Proxenus uit Boeotië wilde reeds als kind een man worden, geschikt tot groote dingen, daarom liet hij zich voor geld onderwijzen door Gorgias uit Leontium. Na dit onderricht achtte hij zich reeds geschikt tot bevel te voeren, en als vriend van de voornaamsten niet onder te doen in weldaden; zoo kwam hij er toe met Cyrus te onderhandelen. Immers hij meende daardoor grooten naam en macht en veel geld te zullen erlangen; maar bij die begeerte sprong het toch zeer in 't oog dat hij niets daarvan op onrechtmatige wijze wilde verkrijgen, maar overtuigd was dat hij het met recht en billijkheid moest doen, en niet anders. Hij was in staat over rechtschapen menschen te heerschen, niet om eerbied of vrees aan zijne soldaten in te boezemen. Ja zelfs, hij ontzag meer zijn soldaten dan dezen hem, en 't was duidelijk dat hij meer vreesde zich bij zijne krijgslieden gehaat te maken, dan de laatsten, hem ongehoorzaam te zijn. Om een goed veldheer te zijn en te schijnen, achtte hij het voldoende hem die goed handelde te prijzen, en te zwijgen over hem die anders deed. Dientengevolge waren de edelsten onder zijn kommando hem welgezind, maar de slechten trachtten hem te verschalken, daar hij goedig was. Toen hij stierf was hij ongeveer dertig jaar.

Menon de Thessaliër verheelde zijn zucht naar rijkdom niet, zijn heerschzucht altijd meer te krijgen, en zijn eerzucht om maar winst te behalen; hij wilde een vriend van de machtigen der aarde zijn, om geen straf voor zijne euveldaden te beloopen. Den kortsten weg om te bereiken wat hij wilde, meende hij dat gelegen was in meineed, liegen en bedriegen; eenvoud en waarheidsliefde stelde hij gelijk met domheid. Blijkbaar hield hij van niemand, en hem dien hij zijn vriend noemde, bedroog hij in 't openbaar. Een vijand bespotte hij nooit, maar degenen met wie hij omging lachte hij steeds uit. Op het goed van zijne vijanden had hij het niet voorzien, want hij vond het moeielijk menschen te berooven die op hun hoede waren; maar de bezittingen zijner vrienden, onbewaakt als zij waren, die achtte hij gemakkelijk te plunderen. Als hij meineedigen en valschaards bemerkte, vreesde hij ze als goedgewapenden, maar eerlijke en waarheidslievende personen trachtte hij te behandelen als lafaards. Evenals een ander zich verheft op godsvrucht, waarheid en rechtvaardigheid, zoo pronkte Menon er mee dat hij bedriegen kon, valsche berichten verzinnen en zijn vrienden bespotten, en wie niet misdadig was, dien hield hij steeds voor onopgevoed. Als hij bij menschen in de hoogste gunst wilde komen, lasterde hij de besten en meende zoo zijn doel te kunnen bereiken. De gehoorzaamheid zijner soldaten wist hij te krijgen door met hen gemeenzaam te zijn in slechte dingen; hij wilde geëerd en gediend worden, en tegelijk toonen dat hij meer dan een ander kwaad doen kon en wilde. En als iemand hem in den steek liet, dan tekende hij het zich zelf als een weldaad toe, hem niet in het verderf gestort te hebben, toen hij nog met hem omging.

Men kan zich bedriegen in dingen die onbekend zijn, maar het volgende is iets dat allen weten. Terwijl hij nog een jonge knaap was, wist hij van Aristippus het kommando over een vreemdelingenleger te verkrijgen. Met Ariaeus, een barbaar, ging hij zeer vertrouwelijk om, doordat deze veel van mooie knapen hield; en op een leeftijd toen hij nog geen baard droeg, had hij als lieveling een zekeren Tharypas, die reeds manbaar was. - Toen nu zijne medeveldheeren ter dood werden gebracht, omdat zij met Cyrus tegen den koning waren opgetrokken, stierf hij dien dood niet, hoewel hij hetzelfde gedaan had; maar na den moord der andere generaals werd hij gestraft door den koning en stierf, niet zooals Clearchus en de overige strategen door onthoofding, hetgeen voor de snelste wijze van sterven geldt, doch levend werd hij een jaar lang gemarteld als een misdadiger, en zóó zegt men dat hij zijn einde vond.

Ook Agias de Arkadiër en Sokrates de Achaeër vonden den dood. Deze beiden heeft nooit iemand bespot als lafhartigen in den krijg, noch op hunne vriendschap eenige aanmerking gemaakt. Beiden waren op den leeftijd van ongeveer 35 jaren.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 16