Xenophon's Anabasis 15
.
Daarna kwamen zij aan de rivier Zapatas, vier plethren breed. Zij bleven daar drie dagen, gedurende welke er wel vermoedens ontstonden, maar geen hinderlaag bemerkt werd. Clearchus besloot nu met Tissaphernes te overleggen, of het mogelijk was den argwaan te doen ophouden voordat daaruit een oorlog ontstond, en hij zond iemand om te zeggen, dat hij een gesprek met hem verlangde. Tissaphernes nam dit aanbod gretig aan. Toen zij samengekomen waren sprak Clearchus: "Ik weet, Tissaphernes, dat wij elkaar met eed en handdruk beloofd hebben, elkaar geen kwaad te doen, en toch zie ik dat gij u tegenover ons in acht neemt, als waren wij vijanden, en wij, dit ziende, zijn evenzeer op onze hoede. Nu ik echter niet kan ontdekken dat gij ons kwaad tracht te doen, en zeker weet dat wij daar zelfs niet aan denken, besloot ik eens met u te spreken, om te zien of wij elkanders wantrouwen kunnen opheffen. Immers ik weet dat menschen, die door laster of wantrouwen elkaar vreesden, en wilden voorkomen dat er iets kwaads gebeurde, onherstelbaar ongeluk hebben gebracht over lieden, die zich daar niets van bewust waren. In de meening dat zulke misverstanden het best door een samenkomst kunnen worden uit den weg geruimd kom ik hier, en wil u aantoonen dat gij ons ten onrechte wantrouwt. Want - het eerste en gewichtigste - de eeden, bij de goden gezworen, verhinderen ons elkaars vijand te zijn; wie zich bewust is dezen te hebben geschonden, dien man kan ik nooit meer gelukkig noemen; in oorlog met de goden, weet ik niet met welke snelheid hij zou moeten ontvluchten, welke duisternis hij zou moeten ontloopen, in welke sterkte hij zich zou moeten verbergen. Want overal is alles den goden onderworpen, en alom heerschen de goden gelijkelijk over alles. Over de goden en de eeden denk ik dus zoo, bij welke wij onze vriendschap bezworen hebben; maar van de menschelijke zaken houd ik ù op het oogenblik voor het grootste goed, dat wij bezitten. Want met ù is elke weg voor ons gebaand, elke rivier doorwaadbaar, en geen gebrek aan levensmiddelen; zonder ù is elke weg in 't duister, elke stroom onoverkomelijk, elke troep menschen schrikaanjagend, maar bovenal de eenzaamheid. Deze laatste immers brengt ons in de grootste verlegenheid. Als wij zoo krankzinnig waren ù te dooden, zouden wij daarmee niet onzen weldoener ombrengen en den strijd aanbinden met den grootsten worstelaar, den koning? Ik zal u zeggen, aan welke verwachtingen ik den bodem zou inslaan, wanneer ik ù kwaad trachtte te doen. Ik heb gestreefd naar Cyrus' vriendschap, in de meening dat niemand meer dan hij in dien tijd zijn vrienden van nut kon zijn; nu zie ik dat gij Cyrus' macht en land bezit, uw eigen gebied behoudt, en 's konings macht tot bondgenoot hebt, waar Cyrus vijandig tegenover stond. Wie is in deze omstandigheden zoo krankzinnig, dat hij geen vriend met u wil zijn? - Ook zal ik u zeggen waarom ik hoop voed dat gij niet minder een vriendschappelijke verhouding met ons zult begeeren. Het is mij bekend dat de Mysiërs u lastig zijn, welnu, met de legermacht die onder mij staat meen ik ze aan u te kunnen onderwerpen. Dit weet ik ook ven de Pisidiërs, en ik hoor dat er zoo nog vele andere stammen zijn, die ik zou kunnen beletten telkens uw rust te verstoren. Wat de Egyptenaren betreft, op wie ik u het meest verbitterd zie - ik zie niet in met welke macht als bondgenoot gij ze beter zult kunnen straffen, dan met die, welke ik thans bezit. Eindelijk, wat de volken in uwe omgeving betreft, als gij iemands vriend zoudt willen zijn, gij zoudt de grootste vriend kunnen wezen, wanneer gij ons tot helper hadt; en als iemand u beleedigde, gij zoudt hem evenals een heerscher ten onder kunnen brengen met hulp van ons - ons, die u niet alleen zouden dienen om loon, maar uit dank dien wij wegens onze redding aan u verplicht zijn. Als ik dit alles overdenk, is het mij onbegrijpelijk dat gij ons zoudt wantrouwen, en gaarne wenschte ik den naam van de welsprekenden redenaar te hooren, die ù zou kunnen overtuigen dat wij een aanslag tegen u beramen."

Zoo sprak Clearchus, en Tissaphernes antwoordde hierop als volgt:

"Het verheugt mij, Clearchus, verstandige taal van u te hooren; want als gij, volgens die gedachte, tegen mij iets kwaads beraamdet, dunkt het mij dat gij ook u zelf ongeluk berokkent. Luister nu op uwe beurt, om te leeren dat uw wantrouwen tegen den koning en mij niet gerechtvaardigd is. Als wij u wilden vernietigen, gelooft gij dat het ons aan ruitermacht, of voetvolk of wapening zou ontbreken, zóó dat wij u schade konden toebrengen zonder zelf eenig gevaar te loopen? Meent gij dat wij geen geschikte positiën hebben om u aan te vallen? Hebben wij niet zoovele vlakten, die gij nu reeds met veel moeite door marcheert, terwijl het een bevriend land is - zoovele bergen ziet gij, welke gij nog bestijgen moet, en die wij vooruit kunnen bezetten om ze voor u ontoegankelijk te maken - zoovele rivieren, waarop wij naar goeddunken met zoovele lieden van uwen kant kunnen strijden, als wij maar willen! Er zijn er onder, die gij heelemaal niet zoudt kunnen overgaan, tenzij wij u overzetten!

En als wij bij dit alles de nederlaag lijden, dan is toch het vuur nog machtiger dan de vrucht der aarde, die wij zouden kunnen verbranden om tegenover u den honger te stellen, iets waartegen gij met al uwe dapperheid niet opgewassen zijt. Hoe zouden wij dus, die zooveel middelen hebben om u te beoorlogen, en geen van die alle gevaarlijk voor ons, uit dat groote aantal juist de eenige manier uitkiezen, die alleen tegenover de goden zondig, tegenover de menschen schandelijk is? Het is geheel en al een werk van radelooze lieden, die onhandig en door nood gedreven, en daarenboven slecht zijn, door middel van eedbreuk tegenover de goden en meineed in 't aangezicht der menschen, de eene of andere zaak te verrichten. Wij zijn niet zoo onbedachtzaam en onberekend, Clearchus! Waarom dan zijn wij u niet komen vernietigen, terwijl 't in onze macht stond? Weet dan dat mijn begeerte om aan de Hellenen trouw te zijn daarvan de oorzaak is, mijn verlangen om het leger, waarop Cyrus vertrouwde, omdat hij soldij betaalde, dat leger terug te voeren, innig aan mij verknocht door mijn weldaden. De voordeelen, die gij ons aanbrengt, hebt gij reeds genoemd, dit is echter naar mijn weten het grootste: alleen aan den koning is het geoorloofd zijn tulband rechtop te dragen, maar naast hem zou een ander die ook wel in zijn hart kunnen dragen, gerugsteund door uwe tegenwoordigheid."

Toen hij zich aldus uitliet kwam het Clearchus voor dat hij waarheid sprak, en hij hernam: "Nu wij zulk een reden tot vriendschap hebben, dunkt het u niet dat zij, die ons door laster tot elkaars vijanden zouden maken, de zwaarste straf verdienen?" - "Als gij", zeide Tissaphernes, "zoowel strategen als lochagen, openlijk tot mij wil komen, zal ik degenen aanwijzen die zeggen dat gij het op mij en mijn leger gemunt hebt." - "Ik zal allen meebrengen," sprak Clearchus, "en u bekend maken vanwaar het gerucht tegen u afkomstig is." -

Na deze samenspraak onthaalde Tissaphernes hem, liet hem blijven en noodigde hem aan zijn tafel. Den volgenden dag ging Clearchus naar het kamp, was blijkbaar in de meening dat hij met Tissaphernes op zeer goeden voet stond, en bracht diens woorden over. Hij noemde eenigen, die hij zeide dat naar Tissaphernes moesten gaan, en als zij van kwaadspreekerij overtuigd werden, dan moesten zij als verraders en kwaadwilligen tegenover de Hellenen gestraft worden. Hij vermoedde dat de lasteraar Menon was, wetende dat deze met Ariaeus tot Tissaphernes was gegaan, en dat hij tegen hem op wilde staan en hem lagen legde, om 't geheele leger op zijn hand te krijgen en zoo met den laatstgenoemde bevriend te worden. Van zijn kant wilde evenzeer Clearchus 't geheele leger onder zich houden, en zich ontdoen van degenen die hem hinderden. - Enkele soldaten verklaarden zich tegen het voorstel van Clearchus, dat alle strategen en lochagen zouden gaan, en zeiden dat men Tissaphernes niet vertrouwen moest. Maar Clearchus drong heftig aan, totdat hij verkregen had dat er vijf strategen en twintig lochagen meegingen; onder het voorwendsel van zich levensmiddelen te verschaffen volgden hen een tweehonderdtal soldaten.

Toen zij in 't hoofdkwartier van Tissaphernes waren aangekomen, werden de strategen binnengeroepen, namelijk Proxenus uit Boeotië, Menon uit Thessalië, Agias uit Arkadië, Clearchus uit Lacedaemon, en Socrates uit Achaja; terwijl de lochagen vóór de deur bleven. Korten tijd daarna, op één zelfde gegeven teeken, werden de personen die binnen waren gevangen genomen, en die buiten stonden neergehouwen. Daarop reden eenige Persische ruiters door de vlakte, en doodden alle Hellenen, vrij of slaaf, die zij ontmoetten. De Hellenen, die van uit hun kamp toeschouwers waren, verwonderden zich over dat gerij, en wisten niet wat te doen, totdat de Arkadiër Nicarchus aankwam: hij was gevlucht met een wond in den buik, en nog met zijn ingewanden in de handen verhaalde hij alles wat er gebeurd was. Verschrikt riepen de Hellenen allen onder de wapens, in de meening dat de vijanden weldra naar 't kamp zouden komen. Zij kwamen echter niet allen, alleen Ariaeus, Artaozus en Mithridates verschenen, vertrouwelingen van Cyrus; de tolk der Hellenen zeide, dat hij ook den broeder van Tissaphernes bij hen zag, en hem herkende. Zij hadden een lijfwacht van ongeveer driehonderd geharnaste Persen. Dezen naderden en riepen dat er een strateeg of lochaag der Hellenen moest verschijnen, opdat zij hem de bevelen des konings zouden overbrengen. - Hierop verlieten met voorzichtigheid het kamp de Helleensche strategen Cleanor van Orchomenus en Sophaenetus van Stymphale, begeleid door den Athener Xenophon, om bericht van Proxenus en de zijnen te ontvangen. Chirisophus was toevallig afwezig, daar hij met anderen in een dorp aan het fourageeren was. Toen zij nu op gehoorafstaand stonden, zeide Ariaeus: "Hellenen! Clearchus is gestraft, daar zijn meineed bleek en hij de verdragen schond, maar Proxenus en Menon zijn in groote eere, omdat zij zijne verraderij aan het licht hebben gebracht. Wat ù betreft, de koning eischt uwe wapenen op, hij zegt dat zij zijn eigendom zijn, daar zij hebben toebehoord aan zijn slaaf Cyrus." - De Hellenen gaven hierop, bij monde van Cleanor uit Orchomenus, het volgende antwoord: "Gij slechtaard Ariaeus en gij anderen die vroeger Cyrus' vrienden waart, schaamt gij u niet voor goden en menschen, gij die gezworen hebt dezelfde vrienden en vijanden te zullen hebben als wij, maar thans ons verraadt met dien goddeloozen en misdadigen Tissaphernes, de mannen met wie gij den eed hebt gedaan in het verderf hebt gestort, en om ons óók te verraden nu met vijandelijke bedoelingen tot ons komt?" - Ariaeus hernam: "Het bleek reeds lang dat Clearchus verraad in den zin had tegen Tissaphernes en Orontas, en tegen ons, hun gevolg." - Daarop zeide Xenophon weer: "Dan heeft Clearchus zijn loon, als hij tegen de eeden den wapenstilstand heeft verbroken, maar zendt ons Proxenus en Menon terug, uwe weldoeners en onze strategen; het is zeker dat zij u zoowel als ons welgezind zijn, en zullen trachten aan beide partijen het beste te raden."

De barbaren hielden daarop een lang gesprek met elkander, maar verwijderden zich eindelijk zonder antwoord te geven.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 15