Xenophon's Anabasis 14
.
De Hellenen en Ariaeus, die zich dicht naast elkander gelegerd hadden, wachtten meer dan twintig dagen op Tissaphernes. Gedurende dezen tijd kreeg Ariaeus bezoek van zijne broeders en van andere verwanten, en bij zijne troepen kwam een aantal Persen, die hun gedeeltelijk goede hoop gaven, gedeeltelijk zelfs in naam van den koning de verzekering, dat hij hun noch voor den krijgstocht met Cyrus ondernomen, noch voor eene andere fout, die zij vroeger begaan hadden, zou straffen. Na dit voorval was het blijkbaar dat Ariaeus en zijn leger zeer koel tegen de Hellenen werden. Aan verschillende Hellenen beviel dit volstrekt niet, zij gingen naar Clearchus, en zeiden tot hem en tot de overige aanvoerders:

"Waarom blijven wij hier? Is het ons onbekend, dat de koning niets liever zou doen dan ons te vernietigen, om ook de andere Hellenen van krijgstochten tegen hem af te schrikken? Hij houdt ons nu met opzet hier op, omdat zijne troepen verstrooid zijn; zoodra hij echter weder zijn leger verzameld heeft, kan hem niets meer weerhouden om ons aan te vallen. Misschien maakt hij ook ergens grachten of werpt verschansingen op, om onzen terugtocht onmogelijk te maken. Want goedschiks zal hij ons wel niet de tijding naar Hellas laten brengen, dat wij, zulk een klein troepje, de legermacht van den koning in de nabijheid van zijn eigen paleis versloegen en daarna lachend aftrokken."

Clearchus antwoorden hun, die zoo spraken, het volgende: "Ook ik bedenk dit alles, maar aan den anderen kant begrijp ik, dat wij ons, wanneer wij nu wegtrekken, aan het schijnbare verwijt blootstellen, het verdrag verbroken en de vijandelijkheden vernieuwd te hebben. Daarenboven zal ons ten eerste niemand een markt aanwijzen, of een middel om ons levensmiddelen te bezorgen. Ook zal er niemand zijn om ons aan te voeren. Zoodra wij dezen stap doen, zal Ariaeus ons dadelijk afvallen, en dan hebben wij niet alleen geen enkelen vriend meer over, maar hebben ook hen, die vroeger vrienden waren, tot vijanden gemaakt. Of wij behalve over den Euphraat, ook nog over andere rivieren trekken moeten, weet ik niet; dat echter de overtocht over den Euphraat, wanneer de vijanden het beletten, onmogelijk is, dat weten wij. Ook hebben wij, wanneer het tot een slag komt, geene ruiterij tot ondersteuning, die van den vijand daarentegen is zeer talrijk en voortreffelijk. Welken vijand zouden wij dus dooden, gesteld dat wij de overwinning behaalden? Als wij daarentegen verslagen werden zou geen man van ons kunnen ontkomen. Waarom zou de koning derhalve, wien zoo vele hulpbronnen ten dienste staan, wanneer hij ons in het verderf wil storten, het eerst noodig geoordeeld hebben, ons door eed en handdruk veiligheid te verzekeren, om daarna de goden door een meineed te vertoornen en de beloften, aan Hellenen en barbaren gegeven, weer ongedaan te maken?"
Deze en meer dergelijke opmerkingen maakte Clearchus. Ondertusschen kwam Tissaphernes, om zooals het scheen naar zijne provincie te vertrekken, en Orontas, ieder met zijn korps. De laatste voerde de dochter van den koning als bruid mede. Het leger trok nu, onder leiding van Tissaphernes, die tegelijkertijd levensmiddelen verschafte, verder. Ariaeus, die het leger der barbaren van Cyrus aanvoerde, marcheerde in verbinding met Tissaphernes en Orontas, en sloeg zijne legerplaats bij hen op. De Hellenen echter, die hen wantrouwden, marcheerden door eigen wegwijzers geleid afzonderlijk, en maakten hunne legerplaats altijd op eenigen afstand van hen, die een parasang en nooit minder bedroeg. Beide partijen sloegen elkaar gade alsof het vijanden waren, en dat gaf terstond wantrouwen. Wanneer nu en dan soldaten, die voor hout en voeder en dergelijke zaken uitgingen, op een zelfde plaats elkander aantroffen, ontstonden er vechtpartijen, hetgeen evenzeer onderlinge vijandschap veroorzaakte. Na drie standplaatsen kwamen zij bij den zoogenaamden Medischen muur, en zetten nu aan de binnenzijde daarvan hun marsch voort. Deze is gebouwd van baksteenen, die met asphalt verbonden zijn, twintig voet breed en honderd voet hoog; zijn lengte bedraagt, naar men zeide, twintig parasangen. Hij is niet ver van Babylon verwijderd. - Hierop marcheerden zij in twee dagen acht parasangen, en trokken over twee kanalen, over het eene op een brug, over het andere op zeven vaartuigen. De kanalen komen uit den Tigris, en van uit dezen liepen slooten over het geheele land, de eerste groot, daarna kleinere, en eindelijk geheel kleine, zooals men ze in Hellas op de boekweitvelden ziet. Zoo kwam men aan den Tigris, waar Sittake, eene groote, volkrijke stad, vijftien stadiën van den stroom verwijderd, ligt. Hier legerden zich de Hellenen in de nabijheid van een schoonen grooten tuin, met boomen van allerlei soort dicht begroeid. De barbaren echter, die over den Tigris gegaan waren, waren niet meer zichtbaar.

Na het avondeten gingen Proxenus en Xenophon voor de legerplaats wandelen; toen kwam er een onbekende bij de voorposten, en vroeg waar hij Proxenus of Clearchus kon vinden. Naar Menon vroeg hij niet, ofschoon hij van Ariaeus, den gastvriend van Menon, kwam. Na de verklaring van Proxenus, dat hij degene was, dien hij zocht, zeide de man het volgende: "Ariaeus en Artaozus, aanhangers van Cyrus en uwe vrienden, laten u door mij weten, dat gij voor een vijandelijke overrompeling dezen nacht op uwe hoede moet zijn. Want in den tuin hier in de nabijheid ligt een talrijke legermacht. Zij raden u verder aan, de brug over den Tigris te bezetten, omdat Tissaphernes plan heeft, dien in dezen nacht zoo mogelijk af te breken, opdat gij dan niet in staat zijt den stroom over te trekken, maar midden in de vlakte tusschen de rivier en het kanaal kunt worden overvallen." Na deze verklaring brachten zij hem bij Clearchus, met de tijding van hetgeen door hem meegedeeld werd, en toen Clearchus het hoorde geraakte hij in geen geringe ontsteltenis. Een jonge man onder de aanwezige personen die de zaak overwogen had, maakte de opmerking: dat het afbreken der brug met het plan, om de Hellenen te overvallen, niet klopte. Want het is duidelijk (zeide hij) dat zij, als zij ons aanvallen, òf overwinnen òf overwonnen worden. Als zij winnen, waarom moeten zij dan de brug afbreken? Want zelfs al waren er veel bruggen, toch zouden wij bij een nederlaag en vlucht ons niet kunnen redden. En als wij overwinnen, dan zullen zij bij een afgebroken brug niet weten waarheen te vluchten; en al zijn er veel troepen aan den overkant, niemand zal hen kunnen helpen, als de brug vernield is. " - Toen Clearchus dit hoorde, vroeg hij den bode hoe groot het land was tusschen den Tigris en het kanaal. Deze antwoordde dat het groot was en dat er vele groote dorpen en steden in waren. Toen zag men wel in dat de barbaren den man in 't geheim gestuurd hadden, uit vrees dat de Hellenen de brug zouden afbreken en op het eiland zouden blijven, als bolwerk bezittende aan den eenen kant den Tigris, aan den anderen kant het kanaal; dat zij zich dan levensmiddelen zouden verschaffen uit het middelste land, dat groot en vruchtbaar was en waar het aan arbeiders niet ontbrak; en dat het, ten slotte, een schuilplaats zou worden voor iemand die den koning zou willen aanvallen.

Men rustte nu uit, maar zond toch een wacht naar de brug; doch niemand deed een aanval en geen vijand naderde de brug, zooals de wacht meldde. Toen de dag aanbrak, gingen zij over de brug, die door zeven en dertig booten verbonden was, zoo voorzichtig mogelijk; want eenigen der Hellenen, die bij Tissaphernes waren, berichtten dat men hen zou aanvallen, als zij overtrokken. Maar dit was een valsche tijding; wel verscheen, toen zij overtrokken, Glus met eenige anderen om te zien of zij over de rivier zouden gaan; toen hij het gezien had, reed hij snel weg.

Van den Tigris trokken zij langs vier standplaatsen en twintig parasangen tot aan de rivier den Physcus, een plethron breed; er was een brug over. Daar bevond zich een groote stad, Opis genaamd; op deze plaats kwam de onechte broeder van Cyrus en Artaxerxes den Hellenen te gemoet, die uit Susa en Ekbatana met een groot leger den koning te hulp kwam. Hij liet zijn leger stand houden , en bekeek de voorbijtrekkende Hellenen. Clearchus liet de mannen twee aan twee marcheeren, en nu eens hier en dan weer elders stilstaan. Zoolang als dus de voorhoede halt maakte, zoolang duurde ook de stilstand van het heele leger, zoodat het zelfs aan de Hellenen toescheen dat hun macht zeer talrijk was, en de Pers die het zag verbaasd stond.

Vandaar trok men door Medië vier dagmarschen, door woeste streken, en dertig parasangen tot aan de dorpen van Parysatis, de moeder van Cyrus en den koning. Om Cyrus te bespotten stond Tissaphernes den Hellenen toe deze te plunderen, maar zonder slaven te maken. Er was veel graan, vee en andere dingen. Van hier uit gingen zij verder door onbewoonde landen, vier dagmarschen en twintig parasangen, met de rivier den Tigris links; op den eersten dagmarsch, aan de overzijde der rivier, troffen zij een groote welvarende stad aan, Caenae genaamd, waaruit de vreemdelingen, op leeren schuitjes, hun brood, kaas en wijn brachten.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 14