Xenophon's Anabasis 13
.
Hetgeen ik hierboven schreef, dat de koning over het aanrukken der Hellenen ontsteld was, blijkt uit het volgende. Niettegenstaande hij nog den dag te voren het uitleveren der wapenen had laten eischen, stuurde hij nu in den vroegen morgen herauten om hun een verbond aan te bieden. De voorposten meldden hun verlangen om met de legeraanvoerders te spreken, en kregen van Clearchus, die juist bezig was de troepen te monsteren, het antwoord mede dat zij moesten wachten totdat hij tijd had. Nadat hij de troepen zoo geplaatst had, dat zij in een dichte phalanx saamgedrongen stonden, en geen enkele ongewapende te zien was, liet hij de boden tot zich roepen, en kwam zelf te voorschijn aan het hoofd van eenige der bestgewapende manschappen, die er het flinkst uitzagen, hetgeen op zijn bevel ook de overige legeraanvoerders deden. Zoodra hij bij de herauten was, vroeg hij wat zij wenschten. Dezen antwoordden dat er vanwege den koning geschikte personen zouden komen, om zoowel zijne voorwaarden aan de Hellenen, als die der Hellenen aan hem over te brengen. "Nu, zegt hem dan," antwoordde Clearchus, "dat wij beginnen moeten met te vechten, want dat wij niets te ontbijten hebben, en zonder dat daarvoor gezorgd is zal het wel niemand wagen, den Hellenen van wapenstilstand te spreken." Na dit antwoord reden de herauten weg, en bij hunne terugkomst, die spoedig daarna plaats had, en waaruit men kon opmaken dat de koning of een andere persoon, wien dit opgedragen was, zich in de nabijheid bevond, zeiden zij: dat de koning hunne opmerking billijk vond, en dat zij gidsen brachten om hun, wanneer het tot een verdrag kwam, een plaats vol levensmiddelen aan te wijzen. Clearchus vroeg verder: of zich de wapenstilstand alleen bepaalde tot hen, die er over onderhandelden, of ook tot allen. "Tot allen," antwoordden zij, "zoo lang tot de koning uwe voorwaarden gehoord heeft." Hierop liet Clearchus hen verwijderen, en belegde een krijgsraad. Men besloot het verbond dadelijk te sluiten, om zonder moeielijkheden levensmiddelen te krijgen. "Ik ook," zeide Clearchus, "ben deze meening toegedaan; ondertusschen wil ik niet gaarne terstond mijn besluit zeggen, maar eerst een poos wachten, totdat de herauten ongerust zullen worden, of wij soms den wapenstilstand niet aannemen. Ja, ik geloof dat onze soldaten zelf daar ook vrees voor zullen hebben." Toen het hem tijd scheen te worden, maakte hij bekend dat hij het verdrag aannam, en verlangde, dat de gezanten dadelijk den weg zouden wijzen, waar men levensmiddelen kon krijgen. Dit gebeurde en Clearchus liet nu, schoon het verbond gesloten was, het leger, welks achterhoede hij zelf aanvoerde, in gesloten gelederen op marsch gaan. Daar men op dezen weg slooten en kanalen had, die vol water waren en welke men zonder bruggen niet over kon gaan, zoo werd de overtocht daardoor bewerkstelligd, dat men palmboomen, die er gedeeltelijk reeds lagen, gedeeltelijk eerst nu gekapt werden, er overheen wierp. Bij deze gelegenheid kon men Clearchus als legeraanvoerder leeren kennen; in zijn linkerhand droeg hij een lans, en in zijn rechter een stok, en wanneer hij onder de soldaten, die dit werk moester verrichten, er een bemerkte, die traag was, dan koos hij een ander, flink soldaat uit, en sloeg er soms met den stok op los, terwijl hij ook zelf, wanneer hij door de klei baggeren moest, de handen aan het werk sloeg. De schaamte wekte er allen toe op denzelfden ijver te toonen. Eigenlijk waren voor dit werk slechts soldaten tot een leeftijd van dertig jaar aangewezen; toen echter de ouderen Clearchus zoo bezig zagen, namen zij ook deel aan den arbeid. Clearchus haastte zich nu des te meer, omdat hij vermoedde, dat de slooten niet altijd zoo vol water waren, maar dat de koning, door ze vol water te laten loopen, hetgeen in dit jaargetijde anders nooit het geval was, den Hellenen een bewijs had willen geven hoeveel moeielijkheden zij op hunnen verderen tocht zouden ontmoeten. Zij zetten aldus hun tocht voort en kwamen in dorpen aan, waar volgens de verklaring van de wegwijzers levensmiddelen waren. Men vond er veel graan, palmwijn en azijn, uit de vrucht van den palmboom toebereid. De dadels, zoo groot als die, welke men in Hellas ziet, werden voor de ondergeschikten bewaard, de uitgezochte echter, van bewonderenswaardige grootte en schoonheid, wier kleur niets van barnsteen verschilde, waren voor de voorname lieden bestemd. Sommigen droogden ze om ze voor lekkernij te gebruiken. Ook de drank, er van bereid, smaakte lekker, doch veroorzaakte hoofdpijn. Hier aten de soldatenook voor de eerste maal merg van den palmboom, en de meesten waren verwonderd over den eigenaardigen en lekkeren smaak. Ook dat echter veroorzaakte zwaren hoofdpijn. De palmboom, waaruit het merg genomen was, verdorde geheel en al.

Gedurende het verblijf aldaar, dat drie dagen duurde, kwam Tissaphernes van wege den grooten koning, benevens de broeder der koningin en nog drie andere Persen, met een groot gevolg van slaven, tot hen. De Helleensche legeraanvoerders waren hun tegemoet gegaan, en daarop hield Tissaphernes de volgende toespraak door middel van een tolk:

"Daar ik, Hellenen, als buurman bij Hellas wonende zag, in welken ongelukkigen, reddeloozen toestand gij u bevindt, hield ik het voor een onverwacht geluk, als het mij zou gelukken van den koning verlof te krijgen, u behouden in uw vaderland terug te brengen; want voor dezen dienst geloof ik toch op uwen dank en op dien van geheel Griekenland te kunnen rekenen. Dit overdenkende, verzocht ik het den koning, en bouwde daarop mijne aanspraken op zijne inwilliging, dat ik hem het eerst van den legertocht van Cyrus onderrichtte, en met deze tijding tegelijk ook hulptroepen meebracht; terwijl ik, van al de Persische verdheeren, die tegenover de Hellenen geschaard waren, de eenige was die niet vluchtte, maar er zich door heensloeg, en zich met den koning in uw legerkamp vereenigde. Eindelijk vervolgde ik de barbaarsche troepen van Cyrus met het korps, dat ik meebracht, en dat uit de trouwste manschappen des konings bestaat. De koning beloofde mij, de zaak in beraad te nemen, tevens droeg hij mij op u te vragen, waarom gij tegen hem zijt opgetrokken? Ik geef u den raad, gematigd te antwoorden, opdat het voor mij gemakkelijker zij, zoo mogelijk bij den koning iets goeds voor u te bewerken."

Hierop verwijderden zich de Hellenen om te beraadslagen, en brachten het volgende antwoord terug, bij monde van Clearchus: "Noch toen onze troepen verzameld werden, noch later op marsch hadden wij plan, tegen den koning te vechten. Maar Cyrus vond, zooals ook gij heel goed weet, allerlei voorwendsels èn om ons naar Azië te brengen èn om u geheel onvoorbereid aan te vallen. Daar wij zijn plan eerst hoorden, toen hij zich reeds in gevaarlijken toestand bevond, zoo brachte de angst voor goden en menschen er ons toe, een man, door wien wij ons te voren weldaden hadden laten bewijzen, niet te verraden. Nu echter Cyrus dood is, betwisten wij den koning zijn gebied niet, en er is geen reden waarom wij zijne landen zouden willen verwoesten; intengendeel zouden wij gaarne, als niemand ons hinderde, naar ons vaderland terug trekken. Tegen hem echter die ons aanvalt, zullen wij ons met hulp der goden weten te verdedigen; maar behandelt men ons vriendschappelijk, zoo zullen wij al het mogelijke doen om ons ook hierin niet te laten overtreffen."

"Deze verklaring, " zeide Tissaphernes, "zal ik den koning overbrengen en u zijn antwoord bekend maken. Totdat ik terugkom dure de wapenstilstand voort, en wij zullen u levensmiddelen verschaffen." Den volgenden dag kwam hij echter niet, en de Hellenen begonnen reeds bezorgd te worden. Maar den derden dag kwam hij en zeide dat hij van den koning de toezegging gekregen had, de Hellenen in vrede naar Hellas terug te geleiden, ofschoon velen daarin tegen hem waren, op grond dat het den koning onwaardig was zijne vijanden zoo rustig weg te laten trekken. "En nu," zeide hij ten slotte, "kunt gij u van ons de verzekering laten geven dat wij u in een bevriend land zullen brengen, benevens levensmiddelen verschaffen, en dat wij u een veilig geleide naar Hellas zullen bezorgen. Daar, waar wij niets kunnen koopen, zullen wij u uit de omliggende streek datgene laten nemen, wat gij noodig hebt. Gij moet ons van uwe kant zweren, vreedzaam door ons land te trekken, en waar wij u geen markt verschaffen, alleen eten en drinken te nemen, daar echter, waar zich een markt bevindt, de levensmiddelen te koopen."

Dit werd goedgekeurd en met eed en handdruk bezworen, tusschen Tissaphernes en den broeder der koningin aan den eenen, en de Helleensche legeraanvoerders en hoofdmannen aan den anderen kant. Hierop zeide Tissaphernes: "Nu ga ik weder naar den koning; nadat ik mijne zaken geregeld heb kom ik marschvaardig terug om u naar Hellas te brengen, en zelf naar mijne provincie terug te keeren."


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 13