Xenophon's Anabasis 12
.
Phalinus vertrok hierop met zijne begeleiders; Prokles en Chirisophus kwamen nu van Ariaeus terug, want Menon was bij hem gebleven. Zij brachten het volgende antwoord mede: Er waren vele Perzen, die de voorkeur boven hem moesten genieten en er zich ook met recht tegen zouden verzetten, als hij tot koning gemaakt werd. Wilden de Hellenen echter mee wegtrekken, dan moesten zij nog dien zelfden nacht komen; zoo niet, dan zou hij den volgenden morgen den terugtocht aanvaarden. Clearchus antwoordde: "Ja, zoo moeten wij doen, wanneer wij komen; komen wij niet, handelt dan, zooals u het best dunkt, in overeenstemming met uwe belangen." Aan dezen deelde hij evenmin zijn besluit mede. Hierop liet hij, daar de zon reeds onderging, de opper- en onderbevelhebbers samenkomen, en sprak als volgt:

"Toen ik, mannen, voor den marsch tegen den koning offerde, waren de voorteekens niet gelukkig, en konden het ook niet zijn natuurlijk, want zooals ik thans hoor, stroomt tusschen ons en den koning de bevaarbare Tigris, waarover wij zonder vaartuigen niet kunnen komen; en die hebben wij niet. Wij kunnen evenmin hier blijven, want wij hebben ook geene levensmiddelen. Maar voor eene vereeniging met het leger van Cyrus gaf het offer de gelukkigste voorteekens. Wij moeten dus de volgende maatregelen nemen: Gaat thans heen en eet datgene wat gij in uw bezit hebt, en wanneer met den hoorn het teeken gegeven wordt om te rusten, dan moet gij u klaarmaken, bij het tweede sein moet gij de lastdieren beladen, en bij het derde moet gij uwen aanvoerder volgen. Laat het vee aan den kant der rivier loopen en houdt de gewapende lieden aan de flanken."

Hierop verlieten hem de legeraanvoerders en de hoofdlieden, en volgden zijn voorschrift op. Ook in 't vervolg gehoorzaamden zij hem als opperveldheer, zonder hem daartoe gekozen te hebben, omdat zij in hem alleen de eigenschappen van een goed veldheer vereenigd zagen, terwijl de anderen onervaren waren. De lengte van den weg, dien de Hellenen van Ephesus in Ionië tot aan het slagveld afgelegd hadden, bedroeg drie-en-negentig marschen, 535 parasangen, 16.050 stadiën. De afstand echter van het slagveld naar Babylon bedroeg, zooals het heette, 360 stadiën.

Toen de duisternis inviel, liep de Thrakiër Miltokythes met zijne ongeveer veertig man sterke ruiterij en driehonderd man Thrakisch voetvolk tot den koning over. De overige troepen begonnen onder aanvoering van Clearchus den terugtocht, zooals afgesproken was, en bereikten hun eerste halt bij Ariaeus en zijn leger, tegen middernacht. De legeraanvoerders en hoofdlieden der Hellenen verzamelden zich, nadat zij hunne manschappen onder de wapenen hadden laten komen, bij Ariaeus, en nu verbonden zij zich met hem en de voornaamsten, die bij hem waren, door een wederzijdschen eed, elkander niet te verraden, maar in het vervolg bondgenooten te zijn. Bovendien zwoeren de barbaren, den marsch zonder bedrog te zullen leiden. Deze eed had plaats door het slachten van een stier, een everzwijn en een ram, waarbij de Hellenen een zwaard en de barbaren eene lans doopten in een met offerbloed gevuld schild.

Nadat het verbond gesloten was, zeide Clearchus: "Daar wij nu, Ariaeus, den terugtocht gezamenlijk zullen doen, zeg mij nu eens uwe meening over de richting daarvan. Willen wij denzelfden weg weer nemen, dien wij gekomen zijn, of gelooft gij een beteren gevonden te hebben?" "Wanneer wij," antwoordde deze, "denzelfden weg als vroeger teruggaan, dan moeten wij allen van honger sterven, want wij hebben immers nu geene levensmiddelen meer. Op de eerstvolgende zeventien marschen van hier uit bood ons onder weg het land niets aan, en was er iets voorhanden, dan hebben wij het bij het doortrekken reeds gebruikt. De weg echter, dien wij nu nemen zullen, is wel langer, maar wij zullen dan ook geen gebrek lijden. Alleen moeten wij de allereerste marschen zoo groot mogelijk nemen, om van het koninklijke leger zoo ver mogelijk te worden verwijderd. Want wanneer wij maar eens twee of drie marschen vooruit zijn, kan de koning ons niet meer inhalen; met een klein leger zal hij de vervolging niet wagen, en met een groote legermacht zal hij niet snel voort kunnen rukken, terwijl hij misschien ook gebrek aan levensmiddelen krijgen zal. Dat is (zeide hij) mijne meening hierover."

Men had met dit plan geene andere bedoeling, dan door de vlucht aan de vijanden te ontkomen. Het geluk gaf echter een beter plan aan de hand. Bij 't aanbreken van den dag begonnen zij, de zon rechts boven zich hebbende, den marsch, in de hoop, die ook bevestigd werd, dat zij tegen zonsondergang Babylonische dorpen zouden bereiken. En hierin bedrogen zij zich niet. In den vooravond meende men echter vijandelijke ruiters te ontdekken; de Hellenen, die juist niet in het gelid marcheerden, ijlden op hunne plaats terug, en Ariaeus, die zich, omdat hij gewond was, in een gesloten wagen liet rijden, steeg af en trok, evenals zijn gevolg, het harnas aan. Gedurende het wapenen brachten de vooruitgezonden spionnen de tijding, dat het geen ruiterij, maar grazend trekvee was. Daaruit maakte men terstond op, dat de koning ergens in de nabijheid moest kamperen, te meer, daar men ook uit naastbijliggende dorpen rook zag opstijgen. Clearchus liet nu wel is waar zijne manschappen niet op den vijand af gaan, - want hij wist dat zij vermoeid waren en nog niets gegeten hadden, terwijl het daarenboven laat op den dag was - toch gaf hij, om den schijn van vlucht te vermijden, aan zijn marsch geene andere richting, maar trok recht vooruit en rukte bij zonsondergang aan het hoofd van de eerste legerbende de naastbijliggende dorpen binnen, waar de koninklijke troepen zelfs het houtwerk van de huizen gerukt hadden. De eerstaangekomenen sloegen hun kamp op zoo goed en zoo kwaad als het ging; de laatste troepen evenwel, die bij het begin van den nacht aanrukten, overnachtten zooals het toeval het wilde, en maakten door elkander toe te roepen zulk een geweld, dat zelfs de vijanden het konden hooren; zoodat zij, die 't dichtst in de nabijheid waren, uit hunne tenten vluchtten. Dit merkte men den volgenden morgen pas, toen er geen vee, geen leger en geen rook meer van nabij te zien was. Zelfs de koning scheen over de aankomst van het leger ontsteld te zijn, zooals bleek uit de maatregelen, die hij den volgenden dag nam. Ondertusschen greep bij 't naderen van den nacht de schrik ook de Hellenen aan, en er ontstond een gedruisch en gedreun, zooals gewoonlijk wanneer vrees de menschen overvalt. Clearchus, die juist den Eleër Tolmides, den besten heraut van zijn tijd, bij zich had, beval dezen stilte te gebieden en bekend te maken, dat hij, die op kon geven, wie den ezel in het leger had laten loopen, een talent zilvers tot belooning zou ontvangen. Toen dit bekend werd gemaakt zagen de Hellenen in, dat het een ongegronde schrik was geweest en dat hunne aanvoerders ongedeerd waren. Zoodra het schemerde, liet Clearchus de Hellenen in het gelid treden, zooals zij tijdens den slag gestaan hadden.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 12