Xenophon's Anabasis 11
.
Toen nu bij het aanbreken van den dag de legeraanvoerders samenkwamen, verwonderden zij zich, dat Cyrus noch zelf verscheen, noch een bode met bevelen zond. Zij besloten daarom zich te wapenen en met de overgebleven bagage voort te rukken, om zich met Cyrus te vereenigen. Reeds waren zij bezig op te breken en ging de zon op, toen Prokles, heerscher van Teuthrania, een nakomeling van den Lakedaemoniër Damaratus, en Glus, de zoon van Tamos, aankwamen. Dezen brachten de tijding: dat Cyrus gesneuveld was en Ariaeus zich met zijne troepen op de standplaats bevond, vanwaar het leger den vorigen dag vertrokken was. Tegelijk deelden zij het besluit van Ariaeus mede, dezen dag op hen te wachten, ingeval zij zich met hem wilden vereenigen; den volgenden dag zou hij echter genoodzaakt zijn, den terugtocht naar Ionië te aanvaarden. Deze tijding maakte op de veldheeren en op het geheele leger een smartelijken indruk. Clearchus nam toen het woord: "Och, leefde Cyrus toch nog maar! Doch nu hij dood is, zegt aan Ariaeus dat wij de overwinning op den koning behaald hebben, en dat, zooals gij ziet, niemand meer tegen ons vecht, en als gij nu niet kwaamt, dan ging onze tocht verder tegen den koning. Zegt verder aan Ariaeus, dat wij hem, wanneer hij zich met ons vereenigt, op den koninklijken troon willen zetten; want wie den slag wint, heeft ook het recht te heerschen." Met deze opdracht liet hij de gezanten gaan, en zond den Lakedaemoniër Chirisophus en den Thessaliër Menon met hen mee, die als vriend en gast van Ariaeus, zelf mee wilde gaan. Zij vertrokken, en Clearchus bleef.
De troepen voedden zich nu, zoo goed en zoo kwaad als het ging, doordat zij van de lastdieren ossen en ezels slachtten. Om vuur aan te maken, haalden zij van het slagveld, op een kleinen afstand van het front, pijlen die in groote menigte voorhanden waren, - de overloopers van het leger des konings hadden de hunne, op bevel der Hellenen, moeten wegwerpen - gevlochten schilden, houten Egyptische schilden, ook vele andere schilden en wagens, en daarvan maakten zij gebruik om hun vleesch te koken.

's Middags kwamen herauten van den koning en Tissaphernes, waarbij slechts één Helleen was, Phalinus genaamd. Deze had zijn verblijf bij Tissaphernes, bij wien hij in hoog aanzien stond, want hij gaf zich in de taktiek en den wapenhandel voor een kenner uit. Toen zij genaderd waren riepen zij de Helleensche legeraanvoerders, en zeiden: Daar de koning den slag gewonnen en Cyrus gedood heeft, zoo deelt hij den Hellenen het bevel mede, de wapens neer te leggen, in zijn hoofdkwartier te komen en zijne gunst af te smeeken. Dit voorstel der herauten hoorden de Hellenen met boosheid aan; alleen zeide Clearchus: "Het is niet aan de overwinnaars om de wapens neer te leggen. Ondertusschen", voegde hij er bij, "kunt gij, legeraanvoerders, hun antwoorden, zooals naar uwe overtuiging de eer en het belang het vorderen; spoedig zal ik weer hier zijn." Hij werd namelijk juist, omdat hij bezig was te offeren, door een der offerdienaars geroepen, om de ingewanden te beschouwen. Hierop antwoordde de Arkadiër Kleanor, als de oudste: "De Hellenen willen liever sterven, dan de wapens afgeven." "Wat mij betreft, Phalinus", zeide Proxenus uit Thebe, ik wensch te weten, of de koning de wapens als overwinnaar van overwonnenen, of als vriend van vrienden verlangt. In het eerste geval zou hij er niet om mogen verzoeken, maar ze moeten halen; in het tweede geval zou hij den soldaten moeten zeggen, wat hij hun voor hunne dienstvaardigheid toegedacht had." "De koning," hernam Phalinus, "gelooft dat hij overwinnaar is, omdat hij Cyrus gedood heeft, want wie zal hem nu nog de heerschappij betwisten? Ook ù gelooft hij in zijne macht te hebben, omdat gij midden in zijne landen, aan deze zijde van ondoorwaadbare stroomen, zijt, en omdat hij zulk eene groote macht tegenover u plaatsen kan, dat uwe krachten uitgeput zouden raken, zelfs wanneer hij het aan uwe willekeur overliet om ze neer te houwen." Hierop sprak de Athener Xenophon: "Nu, Phalinus, hebben wij, zooals gij ziet, geene andere schatten dan wapens en dapperheid; in het bezit van de eerste, willen wij ook de laatste niet verloochenen, want leveren wij ze uit, dan geven wij ons leven prijs. Verwacht dus niet dat wij de eenige hulpmiddelen, die wij over hebben, weg zullen geven, daarmede willen wij liever om uwe bezittingen vechten." Lachend hernam Phalinus: "Wel, wel, jonge man, gij schijnt een wijsgeer te zijn, en spreekt niet onaardig. Doch geloof maar, het zou eene dwaasheid zijn, te veronderstellen, dat uwe dapperheid het leger de konings kan overwinnen." Eenige anderen toonden, zooals het heette, meer toegevendheid in hun antwoord: zij hadden Cyrus trouw gediend en zouden ook den koning, wanneer hij hun vriend wilde worden, of bij een tocht naar Egypte, of in eenige andere onderneming, de gewichtigste diensten kunnen bewijzen. Daarop kwam Clearchus, en vroeg of men reeds geantwoord had. "De meeningen," hernam Phalinus, "loopen hier zeer uiteen; zeg gij toch de uwe, Clearchus." "Met genoegen, Phalinus," antwoordde deze, "zag ik u komen, en ik geloof van allen hier tegenwoordig hetzelfde te kunnen zeggen. Want gij zijt een Helleen, en wij allen die gij hier ziet zijn het ook. In dezen toestand vragen wij u ook, wat is er in deze zaak te doen? Geef gij nu, bij de goden, geef gij ons den raad, die volgens uwe overtuiging de eervolste en de beste is, en die u ook later, wanneer men vertelt, dat Phalinus hem eens aan de Hellenen gaf, ofschoon hij door den koning gezonden was, om hen er toe aan te sporen de wapens neer te leggen, nog tot eer kan strekken. Want natuurlijk zal men, zooals gij weet, in Hellas over den raad spreken, dien gij ons geven zult." Clearchus zeide dit met listige bedoeling, om den afgezant des konings zelf tot het voorstel te brengen, de wapens niet neer te leggen, opdat de Hellenen meer moed zouden krijgen. Phalinus echter ontweek dit, en antwoordde tegen zijne verwachting: "Hebt gij van duizend verwachtingen er nu nog maar één over, namelijk om u met geweld van wapenen te redden, zoo raad ik u aan, deze niet neer te leggen; ligt echter uw lot in de handen van den koning, zoo redt u zoo goed gij kunt." - "Dat zou dus uw raad zijn," hernam Clearchus; "neem dan van ons het antwoord mee: wij zijn van meening, dat in geval van een verbond het voor den koning, en in geval van vijandelijkheid het voor ons voordeeliger is, wanneer wij de wapens behouden." - "Deze tijding," zeide Phalinus op zijn beurt, "zullen wij aan den koning brengen. Ondertusschen hebben wij de opdracht u te melden, dat de koning u, wanneer gij hier blijft, een verdrag aanbiedt; wanneer gij echter voor- of achteruit marcheert, dan is het oorlog. Zegt mij dus ook hierover uw besluit." -

"Antwoord daarop", sprak Clearchus, "dat wij het daarin met den koning eens zijn." Phalinus: "Welke meening dus?" Clearchus: "Een verbond, wanneer wij blijven, oorlog, wanneer wij opmarcheeren." Phalinus: "Moet ik dus een verbond of oorlog aankondigen?" Clearchus herhaalde echter wederom zijn gezegde, maar wat hij doen zou deelde hij niet nader mee.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 11