Xenophon's Anabasis 10
.
Hierop werd Cyrus het hoofd en de rechterhand afgehouwen. Onder het vervolgen drong de koning tot het legerkamp van Cyrus door, terwijl Ariaeus en de zijnen niet meer stand hielden maar door hun kamp heen vluchtten tot aan de standplaats, vanwaar zij opgerukt waren. Deze weg was, naar men zeide, vier parasangen lang. 's Konings troepen maakten, behalve veel andere zaken, ook de bijzit van Cyrus buit, een vrouw uit Phocaea, wier schoonheid en verstand werd geprezen. Een andere jongere vrouw uit Milete werd gevangen genomen door het gevolg van den koning, maar ontvluchtte naakt naar de Hellenen, die gewapend bij de bagage stonden; dezen stelden zich in slagorde en doodden velen der vervolgers, terwijl er ook enkelen aan hunnen kan sneuvelden; toch weken zij niet, maar redden de vrouw en alles wat binnen hun bereik was, voorwerpen zoowel als personen.

De koning en de Hellenen waren nu ongeveer 30 stadiën van elkander verwijderd, laatstgenoemden vervolgden hen die in hunne nabijheid waren, 's konings troepen plunderden alsof hun overwinning volkomen ware. Toen nu de Hellenen bemerkten dat de vorst met zijn leger dicht bij hun bagage was, en wederkeerig de koning van Tissaphernes vernam dat de Hellenen op hun vleugel den zege hadden behaald en al vervolgende voorwaarts rukten, verzamelde Artaxerxes zijn manschappen en stelde ze in slagorde op. Clearchus liet ondertusschen Proxenus, die vlak hem stond, tot zich roepen en overlegde met hem, of hij slechts met ééne afdeeling dan wel met de geheele macht het leger te hulp zou komen.

Middelerwijl zag men den koning weder aanrukken, en wel zooals het scheen tegen de achterhoede; de Hellenen maakten dus front en hielden zich gereed om hem ook aan die zijde af te wachten. De koning nam deze richting echter niet, maar langs denzelfden weg waarop hij, buiten den linkervleugel van Cyrus leger voortgerukt was, trok hij ook weer terug, nadat hij hen die in den slag tot de Hellenen overgeloopen waren, zoowel als Tissaphernes en de zijnen, weer bij zijn leger gevoegd had. Want Tissaphernes was bij den eersten aanval niet gevlucht, maar had langs de rivier de Helleensche peltasten aangevallen; bij dien aanval sneuvelde echter niemand, want de Hellenen openden hunne rijen, en grepen den vijand van dichtbij en van uit de verte met werpspietsen aan. Episthenes, uit Amphipolis, voerde ze aan, en men zeide dar hij zich daarbij met beleid gedroeg. Tissaphernes, die zich nu terugtrekken moest en het onderspit dolf, kwam in het Helleensche legerkamp; hier trof hij den koning aan, en zoo marcheerden zij, nadat zij zich vereenigd hadden, in slagorde af. Toen zij nu op den linkervleugel der Hellenen aanhielden, vreesden dezen, tegelijkertijd in de flank en in den rug aangegrepen te zullen worden, en besloten dus, dezen vleugel te verbreeden en zoo op te stellen, dat men de rivier achter zich had.

Terwijl zij daarover beraadslaagden hield de koning tegenover de Hellenen stand, en wel in dezelfde slagorde, waarin hij den eersten aanval had gedaan. Toen de Hellenen de vijanden slagvaardig en reeds in de nabijheid zagen, hieven zij weder hun krijgslied aan, en marcheerden nog veel moediger dan den eersten keer op hen los. De barbaren echter wachtten den aanval niet af, maar op nog grooter afstand dan de eerste maal gingen zij reeds op de vlucht; de Hellenen vervolgden hen tot aan een dorp, waar zij halt maakten; want aan de andere zijde van het dorp was een heuvel, waar zich het leger des konings weer verzamelde. Het bestond niet meer uit voetvolk, maar alleen uit ruiterij die de hoogte innam, zoodat men niet kon gadeslaan wat er voorviel. Eenigen zeiden dat zij ook het koninklijke veldteeken konden onderscheiden, een gouden adelaar op een schild, met de vleugels uitgespreid.

Toen nu de Hellenen ook hierheen vooruit rukten, verliet de ruiterij den heuvel, en niet aaneengesloten, maar de een hierheen de ander daarheen, zoodat de hoogte langzamerhand geheel ontruimd werd. Clearchus rukte niet naar boven, maar liet de troepen aan den voet halt houden, en zond den Syrakusaan Lycius met nog een ander de hoogte op, om te zien wat daar achter gebeurde en dat te berichten. Lycius reed naar boven en bracht de boodschap, dat de vijand uit alle macht vluchtte. Ongeveer terzelfder tijd dat dit gebeurde ging de zon onder.

Nu hielden de Hellenen stand, legden de wapens neer en rustten uit. Ondertusschen verwonderden zij zich dat noch Cyrus noch iemand van zijnentwege zich liet zien, want zij wisten niet dat hij gesneuveld was doch vermoedden dat hij door vervolging, of om de eene of andere positie in te nemen, vooruit gerukt was. Van hunnen kant overlegden zij dus of 't beter ware, hier te blijven en de bagage hierheen te laten brengen, dan wel of zij naar de legerplaats terug zouden marcheeren. Zij besloten af te trekken en kwamen tegen den avondmaaltijd in de tenten terug. Dit was het einde van dien dag.

In het kamp bemerkten zij, dat behalve het grootste deel der bagage ook alle eet- en drinkwaren geplunderd waren. Ook de meel- en wijnwagens, die Cyrus voor het geval van hongersnood mede genomen had, om ze onder de Hellenen te verdelen, (dit waren, volgens het zeggen, wel een 400 wagens), waren alle geplunderd door 's konings troepen. Het gevolg hiervan was dat de meeste Hellenen geen middagmaal kregen, en evenmin hadden zij iets ontbeten, want voordat het leger aan het ontbijt had kunnen gaan, was de koning reeds verschenen. In dezen toestand brachten zij dien nacht door.


Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 10