Xenophon's Anabasis 1
.
Van Darius en Parysatis stammen twee zonen af; de oudste heette Artaxerxes, de jongste Cyrus. Toen nu Darius ziek werd en zijn einde voelde naderen, wenschte hij zijne beide zonen bij zich te hebben. De oudste was juist tegenwoordig; Cyrus liet hij echter uit de provincie terugkomen, waarover hij hem het opperbevel gegeven had, evenals over de troepen, die zich gewoonlijk bij Kastolos verzamelden. Cyrus reisde dus naar zijnen vader, vergezeld van Tissaphernes, zijnen vriend in schijn, en van driehonderd Grieksche hoplieten onder aanvoering van Xenias uit Parrhasia. Toen nu Darius gestorven was en Artaxerxes den troon beklommen had, maakte Tissaphernes Cyrus bij hem verdacht, als zou hij gevaarlijke aanslagen tegen hem beramen. De koning liet zich overhalen om zijn broeder gevangen te zetten, met het doel hem ter dood te brengen. Zijne moeder bevrijdde hem echter door hare smeekbeden, en zoo keerde Cyrus weder naar zijne provincie terug. Door het gevaar dat hem bedreigd, en de schande die hij ondervonden had, kwam hij op het denkbeeld zich aan de heerschappij van zijnen broeder te onttrekken en in diens plaats koning te worden. Parysatis ondersteunde hem in ´t geheim, want zij hield meer van hem dan van Artaxerxes. Allen, die de koning naar hem toezond, behandelde Cyrus zoo, dat hij hunne genegenheid in hoogere mate verwierf dan de koning die bezat; hij trachte zijne onderdanen tot flinke soldaten te vormen en hunne liefde te winnen. Vervolgens bracht hij zoo geheim mogelijk een Helleensch leger bijeen om den koning geheel onverwachts aan te vallen, en legde dit plan op de volgende wijze ten uitvoer.

Den bevelhebbers van alle bezettingen, die hij in de steden had, gaf hij opdracht zoo velen van de dapperste Peloponnesiërs te werven als maar mogelijk was, onder voorwendsel dat Tissaphernes het plan had die plaatsen aan zich te onderwerpen. De koning had namelijk indertijd Tissaphernes het bevel over de Ionische steden gegeven, later waren zij echter allen, behalve Milete, tot Cyrus overgegaan. Toen Tissaphernes bemerkte, dat men het er in Milete op toelegde hetzelfde te doen, liet hij eenige burgers ombrengen en andere werden verbannen. Cyrus nam de bannelingen op, bracht een leger bijeen, belegerde Milete te water en te land, en trachtte de bannelingen weder in de stad te brengen. Hierdoor had hij een tweede voorwendsel om troepen te verzamelen. Den koning liet hij door een gezant smeeken, toch liever aan hem, zijnen broeder, dan aan Tissaphernes het bevel over deze steden te geven. Zijn moeder hielp deze zaak in orde brengen, zoodat de koning de strikken niet zag, die hem gespannen werden, doch geloofde, dat de toerusting van Cyrus slechts maatregelen waren tegen Tissaphernes; en daarin zag hij geen bezwaar, omdat zijn broeder hem de verschuldigde belasting van de steden overdroeg, die vroeger onder Tissaphernes gestaan hadden. Nog een leger verzamelde Cyrus zich op den Chersonesus, tegenover Abydus, op de volgende wijze. Hij leerde een verbannen Lacedaemoniër, Clearchus genaamd, kennen, kreeg groote achting voor hem en gaf hem tienduizend darieken. Clearchus nu wierf voor dat geld een leger, waarmee hij van den Chersonesus uit de Thraciërs beoorloogde, die aan de andere zijde van den Hellespont woonden, en waardoor hij den Hellenen voordeelen bezorgde; zoodat de steden aan den Hellespont vrijwillig bijdragen zonden voor het onderhoud der troepen. Zoo werd nu ook dit leger heimelijk voor Cyrus op de been gehouden. Zijn gastvriend Aristippus uit Thessalië, die door de tegenpartij in zijn vaderland in het nauw werd gebracht, kwam daarom tot hem en vroeg om tweeduizend huurlingen en drie maanden soldij, waarmee hij het overwicht op zijne vijanden hoopte te verkrijgen. Cyrus gaf hem vierduizend man en voor zes maanden soldij, en kwam tevens met hem overeen dat hij zich niet eerder met zijne tegenstanders zou verzoenen, voordat hij daarover met hem zou beraadslaagd hebben. Zoo werden nu ook in Thessalië heimelijk troepen voor hem bijeengebracht. Aan zijn vriend Proxenus, een Boeotiër, gaf hij de opdracht met een groot aantal manschappen tot hem te komen om, naar hij voorgaf, de Pisidiërs te kunnen aanvallen, die zijn gebied verontrustten. Den Stymphaliër Sophaenetus en den Achaeër Socrates, die evenzeer zijne gastvrienden waren, droeg hij hetzelfde op, onder voorwendsel gemeenschappelijk met de verdreven Milesiërs Tissaphernes aan te vallen; en ook dezen gaven hieraan gehoor.



Charybdis    >   Xenophon's Anabasis 1