Gilghamesh
.
               Zijn vader opende zijn mond, sprak en zei tegen de jager:
              ' mijn zoon, in Oeroek woont Gilgamesj.
              Niemand is sterker dan hij.
              Zijn kracht is geweldig als een rots van Anoe.
              Ga naar Oeroek en richt je tot hem.
              Breng hem het nieuws van deze geweldenaar.
              Ga, mijn zoon en neem Sjamchat , een dochter van Isjtar met je mee.
              De vrouw zal hem overweldigen als een sterke man.

Het Gilgamesjepos is een van de oudste literaire werken. De oorsprong van dit heldendicht ligt waarschijnlijk in het Sumer van ca. 2100 v. Chr. Gilgamesj zelf zou koning zijn geweest in Uruk rond 2620 v. Chr. Het epos werd ontelbare malen overgeschreven en bewerkt en verspreidde zich over een groot gebied. Waarschijnlijk is het bijbelse verhaal van de zondvloed overgenomen uit dit werk.

Het epos gaat terug op losse verhalen in het Sumerisch rond de figuren van 'Bilgames', een variantspelling, en Enkidoe uit het begin van het tweede millennium v. Chr. Dit zijn waarschijnlijk kopieën van teksten uit de periode van de laatste opleving van Sumer tijdens de derde dynastie van Ur, ca. 2112 - 2000 v. Chr. Ook is er nog "Bilgames, Enkidoe en de onderwereld" waarvan de tweede helft later aan het Gilgamesj-epos werd toegevoegd.

Deze cyclus werd vertaald in het Akkadisch met als gevolg dat er al in de 18e eeuw v. Chr. een samenhangend epos bestond van vijf tot acht tabletten en 2000 verzen met als titel "Sjoetoer eli sjarri" (hoog rijst hij op boven alle koningen). Fragmenten ervan zijn teruggevonden bij opgravingen in centraal- en zuidelijk Mesopotamië, maar ook in het Hittitische rijk en in het Mitanni-rijk in west-Iran, oost-Turkije en Syrië. Een ander fragment is gevonden in Megiddo bij Haifa in Israël. Waarschijnlijk werden de teksten gebruikt door schrijversscholen om Akkadisch te leren.

Rond 1200 v. Chr. onderging het epos een soort standaardisatie in zijn redactie. Het epos heette toen: "Sja nagba inoeroe" (hij die alles gezien heeft). Het werd verdeeld over elf tabletten en kreeg een strakke, bijna symmetrische compositie met het omslagpunt op het zesde tablet. Het verhaal werd geformaliseerd met veel vaststaande frasen en herhalingen.[2] Waarschijnlijk is het verhaal van de grote vloed pas tijdens deze laatste redactie aan het epos toegevoegd. Er bestaan oudere verhalen over de vloed in het Sumerisch en oud-Babylonisch van circa 2800 v. Chr., bijvoorbeeld het Atrahasis-epos. De standaardversie van het Gilgamesjepos moet een omvang hebben gehad van zo'n 3000 regels. Geschreven fragmenten zijn bekend uit de periode 1200 - 130 v. Chr.

Later is nog een twaalfde tablet aan het epos toegevoegd, een schildering van de onderwereld. Het is een vrij letterlijke vertaling van een oudere, Sumerische voorloper van het epos (Bilgames, Enkidoe en de onderwereld), maar de loop van het verhaal klopt niet helemaal, want Enkidoe is opeens weer levend en daalt af in de onderwereld om speelgoed van Gilgamesj op te halen.

De tekst van het epos, geschreven in spijkerschrift op kleitabletten, is voor het eerst ontdekt in de bibliotheek van koning Assoerbanipal in Ninive, de hoofdstad van Assyrië. De bibliotheek was in 612 v.Chr., bij een aanval van de Meden en de Babyloniërs op de stad door brand verwoest. Door de hoge temperatuur tijdens de brand werden de kleitabletten gebakken, waardoor ze bewaard zijn gebleven - anders waren de teksten waarschijnlijk verloren gegaan. De kleitabletten zijn door de vloer heen op de begane grond gevallen en in een 30 cm hoge stapel terechtgekomen. De meeste tabletten waren gebroken en de brokstukken lagen door elkaar.

De Britse ontdekker Austen Henry Layard besefte in 1850 wel dat zijn vondst belangrijk was, maar hij wist niet goed wat hij ermee moest: het Akkadische spijkerschrift was toen nog niet ontcijferd. Bovendien zocht hij naar "echte" schatten, zoals juwelen, beelden en wandschilderingen. De tabletten liet hij in kratten afvoeren, en ze werden aan allerlei musea en antiquairs verkocht zonder bij elkaar horende delen bij elkaar te houden. Het kostte de grootste moeite om alles weer een beetje bij elkaar te zoeken. Maar vanaf 1857 werd het spijkerschrift eindelijk ontcijferd, en het vertalen kreeg een aanzienlijke impuls toen de assyrioloog George Smith ontdekte dat in de bijbel fragmenten uit het epos waren overgenomen, zoals het verhaal over de zondvloed, een ontdekking die tot grote opwinding leidde.

De vondst van Layard bleek vier kopieën van het epos te bevatten. Smith ging twintig jaar na de eerste opgraving nog eens terug om doelgericht naar tabletten te zoeken. Hij ontdekte nog talloze fragmenten die daarvóór over het hoofd gezien waren. Later werden - overal in Sumer en ver daarbuiten - eveneens delen van het epos gevonden. Met behulp van al deze bronnen kon de loop van het verhaal redelijk betrouwbaar worden gereconstrueerd. In 1930 verscheen de eerste complete standaarduitgave van het epos door Reginald Campbell Thompson.


Er zijn elf kleitabletten, die ieder traditioneel een afgerond geheel van het epos bevat hebben. Van de meeste tabletten zijn echter geen geheel volledige versies bekend. Door sommigen wordt ook nog een twaalfde tablet erkend als horende bij het epos.

1.     Gilgamesj is de grootste koning op aarde, twee derde god, een derde mens en de sterkste held ooit. Zijn volk echter vindt hem te hardvochtig en daarom schept de hemelgod Anu de wildeman Enkidoe die door de naditu of tempelslavin Shamhat getemd wordt.
2.     Enkidu vecht met Gilgamesj maar verliest. Zij worden grote vrienden. Gilgamesj stelt voor op avontuur te gaan in het cederwoud.
3.     Voorbereidingen voor de tocht naar het cederwoud; velen steunen de helden, onder anderen de zonnegod Shamash.
4.     De tocht naar het cederwoud.
5.     Gilgamesj en Enkidu doden Humbaba, de demonische beschermer van het woud met hulp van Shamash. Zij hakken de bomen om en bouwen een vlot, waarop zij naar Uruk terugdrijven.
6.     Gilgamesh is niet gediend van de seksuele aandacht van de godin Ishtar. Zij laat haar vader Anu de Stier des Hemels sturen als wraak op Gilgamesj en zijn stad. Gilgamesj en Enkidu doden de stier echter.
7.     De goden besluiten dat iemand gestraft moet worden voor de dood van Humbaba, namelijk Enkidu. Hij wordt ziek en als hij op zijn sterfbed ligt beschrijft hij hoe de hel eruit ziet.
8.     Klaagzang van Gilgamesj voor zijn vriend Enkidu.
9.     Gilgamesj krijgt angst voor de dood. Hij besluit op zoek te gaan naar het eeuwig leven, door een gevaarlijke reis te ondernemen om Utnapishtim en zijn vrouw te bezoeken. Zij zijn de enige mensen die onsterfelijk zijn en zijn al in leven sinds voor de Zondvloed.
10.     De reis. De voerman Urshanabi boomt Gilgamesj over de Wateren des Doods.
11.     Gilgamesj ontmoet Utnapishtim, die hem het verhaal van de zondvloed vertelt en hem twee kansen op onsterfelijkheid geeft. Het verhaal van de zondvloed komt ook terug in het nog oudere Atrahasis-epos. Gilgamesj vergooit zijn kansen op onsterfelijkheid echter allebei en keert naar Uruk terug.
12.     Rond 1200 v. Chr. is een twaalfde tablet toegevoegd. Gilgamesj laat zijn bal en stok in de onderwereld vallen en Enkidoe gaat ze ophalen maar de onderwereld grijpt hem. Maar Gilgamesj maakt een gat in de grond en de geest van Enkidoe kan ontsnappen en hem vertellen hoe het er in de onderwereld aan toe gaat.
Rond 1200 v. Chr. is een twaalfde tablet toegevoegd. Gilgamesj laat zijn bal en stok in de onderwereld vallen en Enkidoe gaat ze ophalen maar de onderwereld grijpt hem. Maar Gilgamesj maakt een gat in de grond en de geest van Enkidoe kan ontsnappen en hem vertellen hoe het er in de onderwereld aan toe gaat.

Of er delen zijn van het heldendicht die enige geschiedkundige waarheid bevatten, is twijfelachtig. Het is wel interessant om op te merken dat de Bijbel en het Gilgamesjepos beide de zondvloed noemen. Dit is te danken aan het feit dat dit verhaal uit het Gilgamesjepos in het gehele Midden-Oosten verteld werd. Tot in de twintigste eeuw vertelden verhalenvertellers dit verhaal door. Een fragment van tablet 7 is gevonden in Megiddo, bij Haifa in Israël, mogelijk uit ca. 1300 v. Chr. Het grootste deel van de Bijbel zou pas vanaf 586 v.Chr. in Babylon zijn geschreven. Het Gilgamesjepos en de Zondvloed worden wel in verband gebracht met het onderlopen van de Zwarte Zee na de ijstijd.

Charybdis - Gilghamesh